uit: 't Is Blak *2.
W. van Norel, uitg. Arent thoe Boecop.
Ik ben in 1902 geboren in een steegje achter de Bas Backerlaan. Toen ik 12
was, nam mijn vader me al van school af, omdat ik mee naar zeel moest. Vader
had toen een botter
(EB 27) , en ik kan me nog herinneren dat hij Dirk Stoffer
(Talhuiltjen), Lammert Binnekamp (Lampien de Bom)
en Bart Land (Schapien) als knechten aan boord had. Later heeft
mijn vader zelfs mijn zusje nog eens meegenomen om het hoekwant
te helpen opspleten.
Nadat ik bij de Marine geweest was, ben ik getrouwd. Mijn
beide jongere broers, Jan en Gart, waren nu oud genoeg om met mijn vader mee
naar zee te gaan. Zelf ben ik toen een tijdje als knecht bij ome Jan (EB 1)
aan boord geweest. Het was een zuinige tijd. Toen mijn vrouw in een winter ziek
was en ik daardoor niet naar zee kon, heb ik zelfs enige keren een beroep op
de diakonie moeten doen, waarbij ik me nog kan herinneren dat we een keer 10
gulden en enkele weken later 15 gulden kregen.
Toen we op een gegeven moment de bons van ome Jan op de helling moest, en er
niets verdiend kon worden, besloot ik bij mijn oom weg te gaan. Maar ik moest
er wel voor zorgen dat er die week wat in huis kwam voor mijn vrouw en twee
kinderen. In bezit van 6 spleten hoekwant (aan één spleet zaten
200 haken, waarbij de snoeren ongeveer een vaam van elkaar stonden) ben ik toen
naar Peter van der Heide (Lurkien) gegaan om aan hem een puts
met garnalen te vragen, waarmee de haken geaasd konden worden.
Dat was niet zo'n probleem omdat Peter altijd bereid was iemand te helpen.
Met een roeiboot van de oude Hagedoorn (De Trampoedel) heb
ik het want toen benoorden de haven geschoten tot aan "Van Eps"
(de eerste boerderij op de Kamperdijk vanaf Elburg). De volgende morgen was
ik er al vroeg bij, en toen ik de beug aan boord had en met een stevige bries
uit het zuidwesten naar de haven moest roeien, kwam Hannes Broekhuizen
(De Rotte) naar me toe om een stuk touw toe te werpen, waardoor ik
vrij vlot in de haven terug was. Die morgen had ik aan de afslag voor bijna
20 gulden aan paling.
Niet lang daarna heb ik een punter gehuurd van Aart Broekhuizen,
die bij de tram als conducteur in dienst was.
Vervolgens heb ik nog een paar jaar met een punter van de oude Amptmeyer gevist.
Met dit vaartuig, waarin een plechtje ingebouwd was, kon ik zelfs kuilen omdat
er een mooi kuiltje bij zat.
Op een keer viste ik met deze punter tussen "Breeënbarg"
en Den Hoop", waarbij ik op een gegeven moment in slaap
gevallen ben. Toen ik mijn ogen opsloeg, schrok ik mij een hoedje toen een grote
kop van een koe me recht in de ogen keek. De punter was tijdens mijn slaap tegen
de buitenste kribbe aangedreven.
Na de afsluiting heb ik nog een paar jaar de pluut van Balk*
3 gehuurd, waar Willem ten Hoope (Willem
van Toontjen) en Willem de Ridder (De Kamerling) mee
gevist hadden.
Ik ging in deze tijd ook wel eens met Dirk Westerink (Dirk van Hanna)
naar zee, waarbij we de vangst dan eerlijk verdeelden. 's Winters ging ik dan
wel met vis op de fiets naar Epe of Heerde om te venten.
Toen ik hoorde dat in Elburg de botter van Tinus van Nikus (HK 147)
te koop was, ben ik daar naar toe gegaan en heb die schuit met alle toebehoren
voor 375 gulden gekocht. Er waren zelfs 4 dwarskuilen bij, waarmee ik nog jaren
heb gevist. Toen ik met m'n nieuwe botter (EB 36) buiten " 't Harderwieker
Haarde" was, zijn we aan de kuil gegaan.
De volgende morgen hadden we al meteen voor bijna 50 gulden aan paling.
In de oorlog van 1940-1945 heb ik ook het een en ander meegemaakt. Samen met
Steven Westerink (Hartepitjen), die als knecht bij me aan boord
was, hebben we een keer tussen Schokland en Urk twee lijken opgepukt van Amerikaanse
piloten. Deze hebben we toen naar Urk gebracht.
Verder werden we toentertijd als vissers ook wel ingeschakeld bij de voedselvoorziening.
Zo kan ik me nog herinneren dat we aardappelen vanuit de Giethoornse polder
naar Huizen vervoerd hebben.
Vlak na de oorlog heb ik mijn botter helemaal door Balk laten opknappen.
Toen de schuit van de helling kwam, hoorde ik één van de vissers,
die op de kade stond, zeggen: "Het is jammer dat zo'n rothoeker zo'n mooie
schuit heeft". Met deze botter heb ik tot de inpoldering gevist. Voor 3500
gulden heb ik deze schuit verkocht als pleziervaartuig. Van dat geld heb ik
weer een grotere botter van Hanessen (HK 90) uit Harderwijk
gekocht, waarmee mijn zoon Hannes en ik nog drie jaar ten westen van Harderwijk
gevist hebben.
Vanaf 1960 ben ik nog 6 jaar melkmonsternemer geweest, samen met Gart
Jan Visscher, waarbij we overdag in nieuwe polder werkten. Zo bleef
je altijd bezig want aan thuis zitten had ik een hekel. Maar als de inpoldering
er niet geweest was, dan had ik nu nog gevist.....
Noten
1. Iesveugeltjen (IJsvogeltje) Alle
vissers hadden een bijnaam. Vaak was het niet duidelijk hoe men aan een bijnaam
kwam. Soms ging een bijnaam over van vader op zoon. Soms leek het wel of er
geen andere naam bestond. Hoe Hannes aan zijn bijnaam kwam? .
Citaat:
"Het was winter en verschillende vissers waren nabij het noorder havenhoofd
bezig met de staande netten. Toen ik daar zo met een zestal andere jongens liep
te slenteren, viel ons oog plotseling op een aantal donkere vogels in de verte.
En omdat ik dacht wel iets van vogels af te weten zei ik tegen de anderen dat
het wel eens ijsvogels konden zijn. Wat hadden de jongens een lol toen bleek
dat het gewone kraaien waren. Maar vanaf dat moment had ik wel de naam Iesveugeltjen
te pakken".
2. 't is blak: een oud gezegde onder de vissers, waarmee ze uitdrukten dat er geen wind was en er niet uitgevaren kon woren. Tot omstreeks de dertiger jaren van de 20e eeuw waren de vissers afhankelijk van de wind. Nu is het voor de Elburgse vissers voorgoed blak: de zee is afgesloten en grote delen van het voormalige viswater zijn ingepolderd, en blijft het 'blak'.